top of page

KONING EN PRINSES


De gevel van het hotel had al enkele zelfmoordenaars aangetrokken. Romantische mannen die wilden sterven onder oud stucwerk en tussen muren waarop afschilferende verf de geschiedenis in kleurige laagjes liet zien. Mannen die gesteld waren op vochtvlekken en barsten, op krakende trappen met ontbrekende spijlen in de leuning. Mannen die hielden van gangen met uitgesleten lopers en aan de muren lampen die al jaren geen licht meer gaven. Ze vonden er een decor voor hun zwaarmoedigheid, kamers waarin ze thuis konden komen. Die mannen gaven de voorkeur aan lambriseringen en tapijten die, zoals hun eigen levens, niet meer op te frissen waren. Het bloed uit hun polsen zou nooit opspatten tegen het glimmende chroom in nieuwe hotels.
Jean was een van die mannen. Hij had de mooiste kamers gekozen die het hotel verhuurde, de bruidssuite uit lang vervlogen tijden. De kamers waarin ooit de ene liefde na de andere werd gevierd, waarin de voor-altijd-eed werd bekrachtigd. Hij had er rondgewandeld in het diepste besef dat elk plekje van de suite van al die liefdes was doortrokken. De schimmen van al die verstrengelingen moesten er nog rondzweven, helemaal intact. 
Jean hield van vergane glorie, van dingen die alleen maar wezen naar vroeger. Ze maakten de hopeloosheid van het heden zichtbaar en daarmee ook de zekerheid van een verdere neergang. De melancholie die hier overal aan kleefde als stof, schilfers en vegen, gaf hem een tinteling die hij als genot ervoer. Hij had de kamers voor één nacht gehuurd en was erin getrokken met een koffer waarin alleen maar een scheermes zat. Rond middernacht had hij het bad laten vollopen met warm water. Het was de meest tragische van alle methodes, daarom had die hem het meest aangetrokken. Gevonden worden in een bad met leeuwenpootjes en vergulde kranen, in een theatrale houding in kostuum, zonder dat er stukken hersenen van de muren naar beneden gleden. 
De warmte van het water zou zijn lichaamstemperatuur op peil houden als het bloed uit zijn open ader wegstroomde. Dan zou hij volgens het beproefde plan traag het bewustzijn verliezen en zacht de dood in glijden. Maar naarmate het water rood kleurde en in het wit van zijn hemdsmouwen trok, begon Jean in paniek te raken. Het beeld van zijn lege hart dat zou stilvallen nadat al het bloed naar buiten was gepompt, vervulde hem nu ineens van ontzetting. 
Het was de kloof tussen theorie en praktijk die hem had doen opstaan om zichzelf weer op orde te krijgen. Hij was er zonder hulp in geslaagd zijn pols te verbinden en zijn kalmte te herwinnen. 
Daarna had Jean zijn huis verkocht en was hij in het hotel gaan wonen. Hij had een erg redelijke prijs kunnen bedingen voor een verblijf van onbepaalde duur. Dolen door de nachtelijke stad werd zijn enige bezigheid, van de ene kroeg naar de andere, proevend van de zelfkant van het oude stadsdeel. Groezeligheid en gestage neergang hadden Jean altijd aangetrokken. Als kind al keek hij ernaar, met een afkeer die toch geen afkeer was.
Jean liet zijn leven glijden en hobbelen over de paden die er lagen, hij zocht ze niet, hij was tevreden met wat er was. Hij dronk zoveel als er in zijn maag paste en lachte en praatte met iedereen. En ‘s nachts sliep hij in het hotel te midden van de vergane glorie. 
Geneviève was geboren met een grote geslachtsdrift. Zowel met geschenken als met straffen hadden haar ouders geprobeerd haar lusten te bedwingen, maar zonder succes. De jonge therapeut die ze uiteindelijk bezocht, had wulpse blikken moeten negeren en was in zijn eigen uiteenzetting verloren geraakt. Geneviève zat oneerbiedig in de spreekkamer, in het begin bijna onmerkbaar, maar na enkele sessies zat ze wijdbeens op haar stoel. Ze staarde de jonge hulpverlener schaamteloos aan terwijl ze hem onderwierp aan alle bestaande verleidingstrucs. Toen ze de bezoekjes beu werd, ging ze met ontbloot bovenlichaam in de wachtkamer zitten, waarop de therapeut zichzelf onbekwaam verklaarde en de hulpverlening afbrak. 
Geneviève las alle vakliteratuur die ze kon vinden en oefende met iedereen die haar pad kruiste. Van elke voorkeur, afwijking en zeldzaamheid die ze tegenkwam, maakte ze aantekeningen in een klein boekje. Ze experimenteerde met aantallen, die ze nauwkeurig noteerde en voor haar plezier in grafiekjes zette. Nadat ze alle normale leeftijden had afgewerkt, begon ze systematisch met het verleggen van de grenzen in beide richtingen. Zo kon ze een elf bijschrijven in haar boekje en een achtennegentig, hoewel ze voor zichzelf moest toegeven dat geen van beiden een indrukwekkende prestatie had geleverd.
Ook de nationaliteiten werden bijgehouden. De landkaart die ze in haar boekje had geplakt was al grotendeels ingekleurd, maar dat was dankzij de reusachtige omvang van slechts enkele landen. De havenstad waar ze woonde, zorgde voor een comfortabele en erg gevarieerde aanvoer, maar bij zevenentwintig verschillende nationaliteiten stopte het. Naast het blauw van de zee en het groen van de opgevulde landen bleven hardnekkige witte vlekken de kaart ontsieren. Geneviève troostte zichzelf met haar leeftijd, die nog enorme mogelijkheden bood.
Toen ze de ouderlijke woning moest verlaten, stond haar beroepskeuze vast. Ze solliciteerde met succes bij een onderneming in de dienstverlenende sector die in een klein, fraai kasteeltje was gevestigd. In minder dan geen tijd was ze de meest gevraagde medewerkster en werd het geld haar in de naakte schoot geworpen. Mannen uit de hogere kringen bezochten haar met regelmaat en lieten fooien achter waarvoor velen een week moesten werken. Geneviève werd zowat de koningin van het kasteel en begon zich er ook naar te gedragen. Ze had haar naam speels afgekort tot Gêne, wat een vrolijk contrast gaf met de inhoud van haar takenpakket en het aantal boekingen zelfs deed toenemen. 
Toen de eerste rode vlekjes verschenen, kon ze in haar aantekenboek het titeltje Venerische aandoeningen toevoegen. Omdat de eerste gemakkelijk met zalfjes kon worden weggesmeerd, paste ze haar gedragscode nauwelijks aan. De tweede was hardnekkiger en vereiste een therapie die haar een tijdje arbeidsongeschikt maakte. 
Na haar terugkeer in het kasteeltje liet ze zich verleiden voor veel geld riskante handelingen toe te staan. De klant was erg tevreden en kwam elke week terug met hetzelfde bedrag. Geneviève meende dat de band die gaandeweg ontstond, bacteriebestendig was. 
De aandoening die het gevolg was van dit idee, zou Gêne koningin-af maken. De dokter verklaarde haar ongeneeslijk, een woord dat het kasteel binnendenderde als een rotsblok. Ze werd een pestlijder waar de chique mannen omheen liepen, zodat haar aanwezigheid in het kasteel niet langer winstgevend was. De schatbewaarder ruilde Gene­viève in voor een nieuwe prinses.
Zo werden in haar boekje, onder het nieuwe titeltje Werkplekken, al meteen twee namen ingevuld. Onder Le Château Rose schreef ze The Pepper Box. Dat was een blok met twintig groezelige kamertjes, verdeeld over vier verdiepingen en bereikbaar via een centraal trappenhuis. Met de verfrommelde bankbiljetten die hier op haar bed werden gegooid, kwam ze nauwelijks aan een tiende van haar vorige honorarium. In haar bedhokje op de tweede verdieping verloor Geneviève meteen haar werklust en beroeps­eer. Voor dit soort klanten hadden haar finesse en ruime expertise geen enkele waarde. Een deel van haar inkomen bracht ze bovendien naar de apotheker, zodat ze haar lichaam overeind kon houden. 
Een klein jaar later kon ze weer een werkplek bijschrijven op haar lijstje. De voormalige koningin liep nu langs de straat, waar het zwakke licht haar grauwheid camoufleerde. Ze wist dat ze leek op een figuur uit een droevig sprookje dat de kortste weg van het kasteel naar de goot beschreef. Ze legde haar lichaam in hotelbedden neer om de pillen en injecties te betalen die het nog enigszins werkbaar hielden. 
Geneviève had haar hele leven besteed aan lichamelijk genot. Roes en bedwelming waren de hele tijd in elkaar overgelopen, met regelmatige pieken van extase. Ze kon geen dag zonder de stoffen die haar lichaam hierbij vrijmaakte en die de rede onderdrukten. 
Nu was Geneviève gereedschap geworden, dat tijdens lange dagelijkse werktijden werd gebruikt. Ze walgde van de lichamen die haar ooit op talloze manieren hadden vereerd. In de jonge dieren die haar vroeger ongeduldig besprongen, zag ze nu vuile, bronstige beesten. De oudere heren van weleer die haar met zachte hand naar de hemel begeleidden, waren voor haar nu oude mannen die gloeiden van geilheid.
Geneviève plamuurde en verfde haar gezicht om boven de meisjes van haar wijk uit te komen. Ze toonde alleen wat nog enigszins strak en vrij van groeven was, zoals een slager die zijn beste vlees vooraan legt. De rest bedekte ze met kant en voile als een beloftevolle verrassing. Zo liep Geneviève van portiek naar portiek en van hotel naar hotel om haar kostje bijeen te scharrelen.
In de lobby van het hotel schonk Jean cognac uit zijn eigen fles. Net als voor zijn kamer had hij gunstige voorwaarden kunnen bedingen voor zijn drank. De eigenaar rekende per fles weinig meer dan de winkelprijs, omdat hij wel begreep dat zijn vaste bewoner geen hotelprijzen kon betalen. In ruil kreeg hij dan regelmatig hulp bij karweitjes. 
Jean had zijn vaste fauteuil in de hoek, zodat hij zicht had op de balie. Met wazige blik begluurde hij dan de gasten: studenten zonder geld, buitenechtelijke avonturiers en hoeren met een kamerabonnement. Voor die drie categorieën had hij een oplopende minachting. Als de eigenaar op zich liet wachten, sprak hij de gasten weleens aan om zichzelf te vermaken. Hij gaf dan intelligente uitleg over de stad en de geschiedenis van het hotel, in de zeer verzorgde taal die hij in zijn vroegere leven had moeten gebruiken. Als hij eenmaal de aandacht had, liet hij de inhoud geleidelijk afglijden, tot hij in fraaie volzinnen en met ernstig gezicht regelrechte obsceniteiten vertelde. Zijn geaffecteerde en minzame toon bracht de gasten steeds in verwarring en weerhield hen van kordate terechtwijzingen. 
Alleen de hoeren kon hij zo niet aanspreken, omdat ze hem allemaal kenden. Ze keken hem met de nek aan om een gesprek te vermijden, wat hem gek genoeg kwetste. Omdat hij in het hotel woonde, voelde Jean zich een beetje huisbewaarder en wilde hij niet genegeerd worden.
Elke keer als Geneviève het hotel binnenkwam, kromp zijn hart ineen. Niemand draaide zo duidelijk de rug in zijn richting, door niemand werd hij meer genegeerd. Altijd leunde ze voorover op de balie, niet om met de eigenaar te praten, maar om Jean haar billen in de korte rok te tonen. Hij walgde van het wiegen en draaien, terwijl ze haar netkousen zonder reden rechttrok. Altijd zette ze haar handtas op de grond, zodat ze hem daarna diep voorovergebogen weer kon oppakken. Jean moest dan wel naar haar rode broekje kijken.
De afkeer was volledig wederzijds. Geneviève keek regelmatig achterom om hem aan te staren alsof hij een pas ontdekte diersoort was. Ze kon in één blik een minachting leggen waartoe Jean niemand anders in staat achtte. Als ze zo naar hem keek in zijn fauteuil, voelde hij zich een verlopen koning op een uitgesleten troon. Geneviève wist dat ze hem raakte, de oude, huisloze zuiplap met een kerf in de pols. Met Jean had haar afkeer voor mannen een gezicht gekregen.
Zoals steeds boog Geneviève diep voorover naar haar handtas en stapte vervolgens met tikkende hakken naar de lift. Jean stond op uit zijn fauteuil en volgde haar, terwijl de eigenaar hen van achter de balie nakeek. 
‘Koning van Utopia,’ zei Geneviève terwijl ze op het liftknopje drukte, waardoor tachtig jaar oude technologie in beweging kwam. 
‘Prinses der Portieken,’ antwoordde Jean. De liftkabels brachten de kooi krakend naar beneden. ‘Zal de koning je naar je kamer brengen?’ 
‘Kom je even helpen in de keuken, Jean,’ riep de eigenaar luider dan nodig was. 
Geneviève schoof de tralies opzij en stapte de kooi in. ‘Bergen afwas,’ lachte ze. ‘Zilveren bestek en porseleinen kopjes met gouden randjes.’
Terwijl Jean terug naar de keuken schuifelde, trok een pijnscheut door zijn knie. De eigenaar keek zijn gast meewarig aan. 
Zoals elke avond deed Jean om elf uur de buitendeur op het nachtslot. Daarna veegde hij in de hal het vuil van de dag bijeen en stak de nachtverlichting boven de balie aan. Gelijk daarmee lichtte buiten de naam van het hotel op in ouderwetse neonletters. Dat waren een paar van de taken die de prijs van zijn drank laag hielden. Net voor hij naar zijn kamer ging, keek hij altijd even naar het raam aan de overkant van de straat. Daarin werd de naam van het hotel weerspiegeld, met een ontbrekende letter. Jean vond dat het zo hoorde op een afbladderende gevel. 
Dan ging hij naar zijn kamer. Omdat hij het niet op oude liften had, nam hij de trap die zijn knie met elke trede kwelde. Bovendien had hij moeten instemmen met een kamer op de hoogste verdieping. Dat betekende vijfenveertig pijnscheuten. Zijn deur deed hij nooit op slot, hij bezat werkelijk niets van waarde. Ook in zijn kamer keek hij altijd even door het raam. De nachtelijke stad zorgde iedere keer voor weemoed, omdat de duisternis aan alles een eind maakte. Het geluid en de bewegingen van de dag waren weg, kleuren werden onzichtbaar.
Nog voor hij op de rand van zijn bed ging zitten, kwam de vraag. ‘Is de nachtdeur op slot?’ Werkelijk iedere avond werd die gesteld, terwijl hij het nog nooit was vergeten. Al sinds lange tijd antwoordde hij dat ze vandaag maar open bleef. 
Van onder de lakens kwam een zucht en daarop een bevel: ‘Doe zalf op die rotknie, zodat je niet de hele nacht ligt te woelen. Of is ze al verdoofd door de cognac?’ De vrouw aan de andere kant van het bed was moe en kwaad, zoals altijd. 
‘Nog fijne mensen ontmoet vandaag?’ vroeg Jean. 
‘Ga slapen, je hebt morgen alweer een drukke dag,’ zei Geneviève.

 

 


MIJNHEER GEORGES-HENRI


‘De patiënt wil het zo en het is wenselijk dat je doet alsof het heel gewoon is. De dokter heeft gezegd dat het erg veel voorkomt, een plotselinge karakterwijziging. Om de schade na de verlamming te beperken, heeft men in de hersenen moeten snijden. En zoiets laat sporen na.’ 
De verpleegster deed graag gewichtig en trachtte spontaan te vertellen wat ze had ingestudeerd. ‘Ons hele zijn wordt bewaard in een kilogram vlees in ons hoofd. Die moet je vergelijken met een onwaarschijnlijk dicht netwerk van buizen. Buizen die soms verbonden zijn en soms naast elkaar lopen, met vloeistoffen die gescheiden moeten blijven maar zich op bepaalde plaatsen dienen te vermengen. Het samenvloeien gebeurt in vooropgezette doseringen, beveiligd door terugslagkleppen. De chirurgische ingreep kun je dan vergelijken met de doortocht van een sloopploeg.’
De bezoekers knikten beleefd om te laten zien dat ze het begrepen hadden. Maar hun ontzetting was er niet minder om. Mevrouw Dujardin vertelde de verpleegster dat ze de patiënt zo goed had gekend, dat mijnheer Georges-Henri de voornaamste vriend van haar vader was geweest. 
Ze ging tegenover de man in de rolstoel zitten, zodat ze hem vriendelijk in de ogen kon kijken. Graag had ze haar hand op de zijne gelegd, maar dat durfde ze niet. Het was onmogelijk, omdat ze zich de aristocraat van weleer herinnerde, die met haar vader sprak alsof hij het lot van de wereld in die handen droeg. De aanraking zou kunnen lijken op een vrijpostig gebaar, een toenadering zonder goedkeuring. Maar ook vanwege zijn handschoenen kon ze het niet. Nooit had Georges-Henri handschoenen gedragen, zijn handen maakten deel uit van zijn overredingskracht. En nu droeg hij er in mintgroen. 
‘Ik begrijp dat het moeilijk is, dat is het voor elke bezoeker,’ zei de verpleegster. ‘De man die je zo lang hebt gekend, bestaat niet meer, alleen zijn lichaam is er nog. Zoals de tijd van een bejaarde een kind kan maken, zo kan snijwerk in de hersenen van iemand een totaal ander mens maken. Een bruut kan zachtmoedig worden, seksuele voorkeur kan omkeren, achterdocht kan een leven beginnen te domineren. Iemand die altijd stil was, kan breedsprakig worden. Ik zie hier dagelijks dingen die niemand gelooft. Je zult moeten aanvaarden dat mijnheer Georges-Henri zich totaal anders manifesteert dan voorheen.’ 
Mijnheer Dujardin legde in een teder gebaar zijn hand op de schouder van zijn echtgenote. Hij fluisterde haar iets in het oor dat de uitleg van de verpleegster aanvulde. Ze knikte gelaten, terwijl ze naar de oude man in de rolstoel staarde. 
‘Maar kijk eens naar het model van die laarzen met al die versieringen. En naar de kleur waarin de rolstoel is gelakt. Hoe kon men zijn wensen te weten komen? Mijnheer Georges-Henri kan niet meer praten.’
‘Er zijn technieken gebruikt die het mogelijk maken op een ander niveau te communiceren. Met hypnose kan men heel omzichtig en met eindeloos geduld in contact komen met een patiënt als mijnheer Georges-Henri. Men kan antwoorden afleiden uit de primaire signalen die het lichaam nog in staat is uit te zenden.’ De verpleegster sprak zacht en schijnbaar vol begrip. Ze legde haar handen op de schouders van de oude man in de rolstoel en schikte ondertussen zijn brede kanten kraag. 
Mevrouw Dujardin glimlachte onwennig. ‘Ik zie dat mijnheer Georges-Henri zich door de zeventiende eeuw heeft laten inspireren.’
‘Zo is het,’ zei de verpleegster. ‘In zijn actieve periode heeft hij alle beschikbare boeken uit die tijd gelezen en zoals jullie misschien weten, heeft hij een kleine maar waardevolle collectie schilderijen van zeventiende-eeuwse meesters.’
‘Dat weet ik,’ zei mevrouw Dujardin. ‘Ik kan me zelfs herinneren dat hij bij ieder bezoek een stukje speelde op een authentiek instrument uit die tijd.’
‘Met dat in het achterhoofd kun je zijn huidige situatie erg goed begrijpen,’ zei mijnheer Dujardin. ‘Het is niet zo’n drastische verandering als bij sommige andere patiënten, het is gewoon wat er altijd al in hem zat. De aristocraat die is opgevoed in een streng vormelijk milieu heeft na de ingreep de façades weggehaald. Wat hij nu laat zien, is hoe hij zich altijd heeft gevoeld. Mijnheer Georges-Henri heeft de eeuwen die hij te laat is geboren weggevaagd.’ Mijnheer Dujardin was zichtbaar blij met zijn samenvatting. De warme blik die hij van zijn echtgenote kreeg, vond hij welverdiend.
Met een kleerborstel veegde de verpleegster de stofjes van de mouwen en met een zachte doek boende ze het leer van de laarzen. ‘Mijnheer Georges-Henri is zo trots, het hoort als vanzelfsprekend bij zijn stand.’ Met haar vlakke hand wreef ze enkele draadjes van de rugbekleding van de rolstoel. Hiermee vestigde ze de aandacht op het stuk wandtapijt dat ervoor was gebruikt. ‘Niet echt zeventiende-eeuws, maar toch een mooie imitatie.’
‘De kleur van de handschoenen lijkt me niet echt naar de mode van die tijd,’ merkte mijnheer Dujardin op.
De verpleegster glimlachte. ‘Ook de kleur van de laarzen is een tikkeltje te fel en het motief op het vest is gebaseerd op een tekening uit onze tijd. Binnen zijn ernst hield mijnheer Georges-Henri wel van wat humor.’
De hoge baret die de verpleegster traag en respectvol op het hoofd van de verlamde man zette, herkende mevrouw Dujardin van een van de schilderijen uit zijn collectie. Het was een prachtige replica in zwart fluweel, met een ingeweven tekening in gouddraad. Mijnheer Georges-Henri kreeg ook een fraaie wandelstok tussen de knieën geklemd. De verpleegster had een bepaalde techniek bedacht waarmee ze zijn hand om het handvat kon leggen zonder dat die eraf viel. 
De bezoekers bekeken de hele aankleding en probeerden oprechte bewondering te tonen. In de blik van de nagemaakte zeventiende-eeuwer meende mevrouw Dujardin opwinding te herkennen, die ze toeschreef aan een soort van heftige trots. Ze glimlachte naar haar echtgenoot en keek vragend om zich heen. 
‘Ik geloof dat mijnheer Georges-Henri er klaar voor is,’ zei de verpleegster resoluut. Ze nam de bezoekers even apart voor een laatste toelichting. ‘Ik wil jullie in zijn naam hartelijk bedanken omdat jullie hem het genot van een wandeling bezorgen. Het is alles wat we hem nog kunnen geven en er zijn zo weinig vrijwilligers voor deze groep. Het hele domein is vrij toegankelijk, maar kies toch vooral voor plaatsen waar veel mensen zijn. Mijnheer Georges-Henri wil zo graag gezien worden. Ik geloof dat mevrouw dat wel kan begrijpen.’
Mijnheer Dujardin duwde de rolstoel voorzichtig van het terras de grindweg op. Mevrouw Dujardin legde een hand op zijn arm en knikte minzaam naar een oudere dame die voorbijwandelde. Het was haar liefdadigheid die ze hiermee wilde tonen en meteen ook haar fijne manieren. ‘We doen goede dingen,’ fluisterde ze haar echtgenoot toe. ‘En er is geen reden waarom we dit niet elke week zouden doen.’ Terwijl ze een groepje pratende mensen voorbijwandelden, zette ze de baret een beetje rechter op het oude hoofd. En iedereen keek met een glimlach naar mijnheer Georges-Henri.
‘Toch twijfel ik eraan of dit niet te veel is,’ zei de verpleegster tegen het meisje met het hippe kapsel. Die was erbij komen staan nadat de vrijwilligers met de rolstoel een eindje verderop uit het zicht waren verdwenen. ‘Ik ben bang dat ik hiermee een grens overschrijd.’
‘Je hebt het over de weerloosheid van het slachtoffer,’ zei het meisje kalm. ‘Over iets wat je simpelweg niet doet, omdat het machtsmisbruik is, het diepste krenken van iemands eer.’
‘Ja, inderdaad. Die man kan helemaal niets doen, hij kan alleen maar ondergaan.’
‘Je zegt het helemaal juist,’ zei het meisje met het hippe kapsel. ‘Soms kun je niets doen, alleen maar ondergaan.’ 

 

 


LA CASA


Claudine ging op bezoek bij haar man, die al drie jaar in La Casa verbleef. Na het ernstige ongeluk kon hij thuis niet langer worden verzorgd. Zijn toestand vereiste speciale technische hulpmiddelen en een mentale instelling die niemand in zijn omgeving zou kunnen opbrengen. Alleen een verblijf buiten de echtelijke woning met een systeem van vooraf geplande bezoeken maakte het draaglijk.
Men had voor de instelling een naam uit het zuiden bedacht. Die moest geborgenheid en warmte uitstralen en bovenal een soort rust die eindeloos mocht duren. Maar vanuit zakelijk inzicht moest er ook stijl en rijkdom worden getoond, om duidelijk te maken dat niet ieder wandelend lijk er zomaar zijn valies kon neerzetten. Daarom had men een vervallen hotel schitterend in zijn oude glorie hersteld. Met ruime budgetten had men de virtuoos geschilderde marmerimitaties en het overdadige stucwerk aan het plafond in hun oorspronkelijke staat teruggebracht. De ontbrekende delen van de lambriseringen waren met de grootste vakkennis in dezelfde houtsoort nagemaakt en voorzien van identiek snijwerk. Na intensieve reiniging kleurden de glas-in-loodramen het invallende licht weer alsof ze pas waren gezet. Vanwege de hedendaagse eisen hadden architecten de meeste kamers laten vergroten alsof ze twee eeuwen geleden zo waren ontworpen. 
Geld en vakmanschap hadden het oude hotel veranderd in een paleis van nostalgie, waar alle hedendaagse luxe geraffineerd verborgen zat achter authentieke interieurstukken. Zo werden dure wijnen en versnaperingen gebracht als een antiek portretschilderij van dichtbij werd aangesproken. Op eenvoudig verzoek las een marmeren buste boeken voor in een stemtimbre naar keuze. De kamertemperatuur kon worden geregeld met handgebaren voor de imposante haard. Uit verborgen luidsprekers klonk klassieke achtergrondmuziek die dateerde uit de bouwperiode van het hotel. 
Omdat de inbreng van de bewoners beperkt bleef tot aanwezig zijn, was alles gericht op het comfort van de bezoekers. Hun aankomst stond steeds ruim vooraf gepland, waardoor ze goed voorbereid werden ontvangen, net als de adel die er destijds logeerde. Er was steeds een glaasje vooraf met bijhorende hapjes en persoonlijke begeleiding naar de vertrekken van hun geliefden. De respectvol en klassiek geklede assistenten hielden de bezoekers er geruime tijd gezelschap, terwijl ze de lichamelijke toestand van de bewoner met veel woorden beschreven. Ze gebruikten uitgebreide en lyrische omschrijvingen, waarin de reeds lang gekende waarheid werd verbloemd en de uitzichtloosheid zacht werd toegedekt. 
Hoop en illusie bestonden niet in La Casa, alleen verplichte aanvaarding die ruim gedefinieerd in het contract was opgenomen. Omdat verandering alleen maar neergang kon betekenen, was behoud het hoogste medische doel. De bewoners werden nooit patiënt genoemd en met het grootste respect bejegend. Dokters en zorgpersoneel droegen geen beroepskledij en gebruikten nooit medische termen. Nergens waren meetinstrumenten of geneesmiddelen te zien, niets duidde op de delicate lichamelijke toestand van de bewoners. Alleen kon men er zeker van zijn dat achter de schermen een gespecialiseerde medische staf permanent toezicht uitoefende en ingreep bij de minste signalen die een verslechtering aankondigden. 
Claudine bezocht haar man iedere week op zondag, een dag die het altijd stemmige kader nog een speciale tint gaf. Op zondag had de rust iets adellijks, vond Claudine. Meteen nadat de assistent zijn verplichte gesprek met een glimlach had afgerond en de kamer had verlaten, opende ze de hoge balkondeuren, die uitzicht boden op de riante tuin. Ze keek naar haar man, die aan het kleine tafeltje bij het raam zat, met een glas whisky naast een prachtig geslepen karaf. Zijn gouden drank, zoals hij hem altijd noemde, werd steeds geschonken uit een van de kristallen karaffen uit zijn verzameling. Dat maakte deel uit van het ritueel. 
‘Ik ga even de tuin in’, zei Claudine iedere keer opnieuw. Een antwoord kwam er nooit, al drie jaar niet. Ze glimlachte naar hem en ook een beetje omdat ze het zichzelf alweer hoorde zeggen. Het was een minzaam theaterstuk geworden, een zondagse matinee. Op het balkon leunde Claudine op de balustrade terwijl ze de tuin als een panorama bekeek. De volgroeide beplanting was samen met het gebouw ontworpen. De stijl van het interieur liep via de balkondeuren over in die van de tuin. Claudine ging traag de zes treden van de arduinen trap af. Ze had al eens berekend wat ze iedere maand betaalde per trede en kwam tot een getal, even onzinnig als gigantisch. 
Op zachte dagen liep de perfect onderhouden tuin vol met bezoekers, duur gekleed en met een kalmte die eigen is aan een stand die zich nergens druk over hoeft te maken. Als ze in elkaars buurt kwamen, knikten ze met een aristocratisch glimlachje. Ze zaten aan chique tuintafeltjes zonder ooit moe te zijn en dronken dure drankjes zonder ooit dorst te hebben. De eeuwen hadden blijkbaar weinig verandering gebracht. 
Alle wandelaars hadden een geliefde die in het grote huis verbleef en allen hadden ze het contract met de verplichte lotsaanvaarding ondertekend. Ze vonden in La Casa een speciale vorm van troost die nergens anders geboden werd. Het was het enige huis ter wereld waar men zo vooruitstrevend omging met menselijkheid in die zeer delicate omstandigheden. Uiteraard was er felle tegenstand geweest vanuit religieuze hoek. Er waren zelfs groepjes mensen op straat gekomen met spandoeken en geroep. Enkele tijdschriften hadden er een fel artikel aan gewijd, met het rijk geornamenteerde gebouw op de voorpagina. Er was evenwel geen enkel conflict met de wet, zodat het instituut dat La Casa had gesticht zelfs niet de moeite had genomen te reageren. 
De immense vergoeding die voor het verblijf moest worden betaald was voor niemand een probleem. Het beperkte aantal kamers in het voormalige hotel liet een haast onbegrensde ruimte voor de prijsbepaling. Er werd bewust gemikt op het leed van de vijf procent rijksten van het land. Een kamer in La Casa zou zo niet alleen getuigen van een verheven ethisch bewustzijn, maar ook van een ongelooflijke welstand. 
Ook een kennis van Claudine had de zorg voor haar geliefde aan La Casa toevertrouwd. Laurence had zielsveel van haar man gehouden en na zijn beroerte zonder aarzelen gekozen voor zijn blijvende aanwezigheid. Twee keer per week kwam ze op bezoek met verse bloemen en las ze voor uit de boeken van zijn favoriete schrijvers. Ze kamde zijn mooie, grijze haar met veel zorg en zijn gezicht masseerde ze met de duurste crèmes. 
De muziek op de achtergrond had ze speciaal naar zijn voorkeur laten herschrijven en door een symfonieorkest laten uitvoeren. De opnames waren schitterend en Laurence was er zeker van dat ze tot haar geliefde konden doordringen. Het betalen van de torenhoge honoraria was haar een groot genoegen geweest. Ze had bovendien de orkestleden persoonlijk bedankt met erg waardevolle geschenken. 
Geld had voor haar geen enkele waarde meer, ze gaf het uit aan alles wat haar man belangrijk had gevonden. Een vereniging voor dierenwelzijn schonk ze een gerenoveerd pand, een instituut voor wetenschappelijk onderzoek kreeg een jaarlijkse toelage die het volkomen onafhankelijk maakte. Een toevluchtsoord voor vrouwen werd uitgebreid en voorzien van alle comfort. Steeds vermeldde Laurence daarbij uitdrukkelijk de naam van haar man als opdracht­gever, financier of mecenas. Het was zijn naam die ze liet beitelen bij een eerstesteenlegging, naar hem liet ze prijzen en fondsen vernoemen. 
Geruime tijd al werkte Laurence aan een plan waardoor de naam van haar man als weldoener voorgoed in de geschiedenisboeken zou worden opgenomen. Op een dag bracht ze iemand mee naar La Casa die geen bloedverwant was, iemand die ze graag aan haar man wou voorstellen. Zo doorbrak ze als eerste de zeer intieme kring in de instelling. De huisregels verboden het niet, maar iedereen vond het ongepast. Niemand had ooit overwogen de bezoekerskring uit te bereiden, omdat dat een deur kon openen voor nieuwsgierigheid. Sensatiezucht zou binnensluipen, vermomd als mededogen. La Casa zou een museum van levende curiosa worden. 
Maar de heer die als eerste vreemde bezoeker in de instelling zijn opwachting maakte, liet een geweldige indruk na. De sereniteit die hij uitstraalde ruimde alle vooroordelen meteen uit de weg. Er werden zelfs namen genoemd van regelmatige bezoekers die slecht uit de vergelijking zouden komen. De heer droeg witte rozen in zijn arm, wat een krachtig beeld van respect en gevoeligheid opleverde. Iedereen had vernomen dat hij Laurence zou helpen om haar man onsterfelijk te maken. De vreemde bezoeker diende zo het meest nobele doel dat in deze instelling denkbaar was.
In het privévertrek stelde Laurence de heren officieel maar hartelijk aan elkaar voor. Haar man met zijn onmetelijke fortuin en de bezoeker met zijn ontdekking die de wereld zou veranderen. De witte rozen stonden op het ronde tafeltje tussen hen in. Met de zorgvuldige schikking in de prachtige Chinese vaas had Laurence het beeld van dit historische moment bepaald. Ze sprak voor haar man en liet daarbij haar hand op de zijne rusten wat de genodigde diep had ontroerd.
In La Casa kwam elke bezoeker binnen met een ander gevoel. Bij Laurence was het een liefde die niet kon stoppen en een verering die als enige mogelijkheid overbleef. De beroerte was als een bijl tussen haar en haar man gevallen. De avond ervoor hadden ze uren gepraat en gelachen, en gedronken op hun godenleven. De ochtend erna lag haar man naast haar als een lichaam. Alle verbindingen naar buiten waren verbroken, geen enkel signaal kon nog worden verstuurd of ontvangen. Het razendsnelle praten, begrijpen en repliceren waren als met een schakelaar uitgezet. De vernuftige humor, de intellectuele maar galante taalduels, de romantische woorden die zomaar kwamen, Laurence zou ze missen tot het ook bij haar voorgoed zou ophouden. 
Het lichaam had maanden in coma gelegen, diep onder het bewustzijn. Specialisten hielden het in werking, maar de geest die erin woonde was ongrijpbaar geworden, een spook in een leeg huis. Niemand kon vermijden dat de man naar steeds lagere gebieden afdaalde. De reddingslijnen werden steeds dunner en brozer, tot ze helemaal loslieten. Hersendood, het woord had voor Laurence het geluid van een dichtslaande deur gehad. Het was de dood die voortijdig zijn intrek had genomen in een lichaam dat nog werkte. De pomp die het bloed voortstuwde en de blaasbalg die de longen vulde hadden schakelaars. Elke dag bezocht Lau­rence een lege man, die werkte op elektriciteit. 
De laatste decennia waren systemen ontwikkeld die de hersendode beschermden tegen de gigantische legers onzichtbare organismen. De nieuwste methode kon een verdediging opwerpen die een gesloten schild vormde en de houdbaarheid van het lichaam met jaren verlengde. De oprichters van La Casa hadden hiermee de twijfel en de verwarring ten aanzien van deze gedaante van de dood gecommercialiseerd. De peperdure systemen die het lichaam onzichtbaar beschermden, hadden ze laten installeren in een omgeving van luxe en sereniteit. De investering was enorm geweest, net als het risico, maar de vooropgestelde terugverdientijd werd jaar na jaar korter. 
Op instructies van de nabestaanden werden de bewoners in houdingen gezet die hen vroeger hadden getypeerd. Elke keer werden de bezoekers verrast door een andere houding, andere kleren en een andere plaats in de kamer. De koppelingen waarmee de bewoners met het systeem waren verbonden, werden altijd zorgvuldig verborgen, soms zelfs via discrete openingen in de kleren. Het lichaam bewoog niet, maar ademde en had de juiste temperatuur. Voor de bezoekers was daardoor de echte dood niet aanwezig, alleen maar een afgezant die moest worden gedoogd. Het was een unieke vorm van leven waarin de geliefde zich bevond, een schemerzone tussen twee werelden.
Ook Claudine trof haar man bij ieder bezoek in een elegante houding aan. Interieurstilisten plaatsen hem altijd met de juiste rekwisieten in een mooie belichting. Soms had ze het gevoel, een tableau vivant binnen te wandelen waarin elke beweging storend was. Als de assistent haar begeleidde of als Laurence een keer meekwam, betrad ze de kamer met opvallend respect. Met kalme gebaren en een zachte stem liet ze zichzelf dan één worden met de fraaie enscenering. Ze liep om haar man heen terwijl ze hem door de haren streelde en hem minzaam toesprak. Enkele stofjes, die de mensen van de plaatsing hadden gemist, plukte ze dan liefdevol van zijn kleren. 
Maar als ze alleen was, liet ze alle respect vallen, laagje na laagje. Terwijl de man van Laurence in La Casa logeerde vanuit een onuitspreekbare liefde, had Claudine haar man om andere redenen een kamer gegeven. Voor Laurence kon liefde de enige mogelijkheid zijn om je man te behouden. Ze voelde zich daarom zo verbonden met Claudine, die volgens haar hetzelfde lot deelde. Omdat de dames elkaar pas in La Casa hadden ontmoet, kon Claudine haar huwelijksleven helemaal naar eigen wens uittekenen. Ze bedacht een romantisch verhaal, dat ze Laurence uitvoerig vertelde in het bijzijn van haar uitgestalde man. 
Ze verving hun koude voorstelling, die aan het verstandshuwelijk was voorafgegaan, door een scene uit een damesroman. Haar man beschreef ze als een jonge wildebras met een leven zonder doel, die haar zijn overweldigende liefde had geschonken. Claudine genoot van het fabuleren met een glaasje port in de hand. Af en toe keek ze vertederd naar haar man, voor Laurence een ontroerend bewijs van oprechtheid. 
Met een verlegen glimlachje vertelde Claudine over de heftige liefdesjaren na de sprookjesbruiloft, over zijn passie en zijn stoute humor. Onder uitvoerig beschreven galanterieën verborg ze zijn veelwijverij, die hun huwelijk onophoudelijk had besmeurd. Zoals een beroepsschrijfster haar bladzijden vult, vlot en overtuigend, zo vertelde Claudine haar leven zoals ze het had gedroomd. Het leek heel erg op de jongemeisjesfantasie die bij Laurence wel was uitgekomen. 
Die schitterende façade was zo overtuigend opgetrokken dat het leek alsof de dames gelijklopende levens hadden gehad. Voor Laurence zat de man van Claudine erbij als een zwijgende getuige, die geen enkele leugen hoefde te weerleggen. De aanwezigheid van zijn lichaam leek op een vreemde manier de waarheid van het verhaal te garanderen. 
De god die jarenlang de kwellingen had toegelaten, leek met het zware ongeval de knop dan toch te hebben omgedraaid. Hiermee werd het huwelijk van Claudine feitelijk beëindigd en hielden de ononderbroken vijandigheden op. De aanvaller was van binnenuit uitgeschakeld en daarmee ook zijn vernuftige strategieën. Voor Claudine veranderde het mijnenveld waar ze elke dag doorheen moest in een weide met strelend lentegras. 
Omdat de vorm van de vijand er nog steeds was, betrad Claudine de eerste weken de ziekenhuiskamer met verhoogde hartslag. Maar de kans dat de geest in het lichaam zou terugkeren, nam bij elk volgend bezoek af. Voor Claudine was het een loterij waar elke week de kans op winst toenam. De overhandiging van de hoofdprijs kwam na een aantal maanden, toen de hoofdgeneesheer haar om een gesprek vroeg. Claudine kreeg te horen dat de kans op enige vorm van herstel niet langer bestond. De apparaten konden worden uitgeschakeld zonder juridische of morele bezwaren. 
Het omzetten van drie schakelaars zou Claudine het weduwschap bezorgen. Graag had ze haar bewustzijn tot het maximum opgedreven en zelf de knoppen bediend. Maar ongeduld en enthousiasme zouden bijzonder onwelvoeglijk zijn geweest en daarom had ze bedenktijd gevraagd. Ze legde zich een twijfeltijd op die lang genoeg was voor de buitenwereld en kort genoeg voor zichzelf. Tijdens die dagen hoorde ze vertellen over La Casa. Ze vond de diensten die het instituut aanbood ronduit pervers, maar het beeld bleef wel in haar gedachten hangen. 
Claudine begon zichzelf te zien als poortwachter van het hiernamaals. Met het omzetten van de drie schakelaars kon ze haar man binnenduwen en de poort voorgoed sluiten. Met een verblijf in La Casa zou ze de poort op een hele kleine kier laten. Het plotselinge bezoek van haar zoon bracht haar in één klap tot het besluit. De jongeman was een kopie van zijn vader en had zich jaren geleden van zijn moeder afgekeerd. Zo had de oude, actieve vijand een jonge, passieve bondgenoot gekregen. Het kwellen werd aangevuld met laten kwellen. 
Het verbaasde Claudine dat er geen droefheid was om het nakende afscheid van de bondgenoot, geen verlatingsangst, geen woede om het ongeval. De jongeman stelde alleen maar vragen naar de erfenis, die hem helemaal alleen zou toekomen. Volgens een speciale constructie in de wilsbeschikking maakte het na te laten vermogen niet de gebruikelijke zijsprong naar de echtgenote, maar ging het recht naar beneden, naar de zoon. Het bondgenootschap bleek ook postuum te blijven bestaan. Opeens kwetste het Claudine en ze sprak over La Casa voordat ze het zelf goed en wel doorhad. 
Als Claudine alleen was met haar elegant neergezette man, genoot ze op een vreemde manier van het samenzijn. Nadat ze in de tuin was geweest, schonk ze voor zichzelf een glas van zijn dure whisky in. Ze vertelde dan wat ze die week had gedaan, hoe goed ze het had gehad en hoe belangrijk zijn afwezigheid daarbij was geweest. Claudine wist dat de kans dat hij haar hoorde nauwelijks bestond, maar ze ging uit van een onwaarschijnlijke uitzondering. Tenslotte was niemand ooit uit de hersendood teruggekeerd met een verslag. 
Dan maakte Claudine zijn hemd onderaan open en priemde traag een balpen in zijn navel. Dat was voor hem als een naald onder zijn nagels, het zou hem knettergek hebben gemaakt. Met zijn broekriem trok ze de balpen stevig in het vleeskuiltje en liet ze daar zitten zolang haar bezoek duurde. Dan liet ze Stravinsky uit de verborgen luidsprekers komen, haar verboden lieveling. Zijn hele repertoire was voor Claudine als een kast vol haute patisserie. Iedere keer liet ze een deel van zijn werken horen zodat Laurence na een tijd meende dat het om een gedeelde passie ging. 
Na het ongeval had Claudine ook een kat gekocht, die ze elke keer meebracht. Dieren zorgden bijna altijd voor een niet te verklaren verbinding tussen de bezoekers en de bewoners. Het meest geliefd waren de honden, hoewel die altijd even in de war waren door de apathie en de nieuwe geuren van hun baasjes. Op de tweede plaats kwamen de katten, die zich nestelden op de onbeweeglijke schoten en er hun warmte achterlieten. Laurence was altijd vertederd als ze de rosse kater op de schouder van de man zag liggen spinnen. Alleen wist ze niet dat hij katten hartgrondig had gehaat, dat hij ze had weggejaagd en geschopt. Zijn hel op maat zou vol zitten met katten.
Als Stravinsky voor die dag was uitgespeeld, las Claudine voor uit de sentimentele damesromans die ze thuis wat beschaamd in een gesloten kast bewaarde. Haar man had haar de lectuur verboden, zelfs als hij niet thuis was. Niet omdat het niveau literair onder het nulpunt zat, maar omdat hij wist dat de boekjes pijnstillers waren, zalfjes voor de geest. Elk boekje was een poortje naar dromenland dat hij gesloten wilde houden. Nu las Claudine luidop en met nadrukkelijke intonatie, alsof haar publiek uit hardhorigen bestond. Als ze goed op dreef was, leek het soms wel een hoorspel met stemacteurs. De nieuwste aanwinsten legde Claudine op zijn tafeltje naast de kristallen whiskykaraf. 
Bij elk bezoek trok ze even zijn oogleden omhoog, zodat ze zijn vreemde blik kon bekijken. Ze zag dan werkende ogen die geen beelden meer opleverden, onderdelen van een ongestuurd lichaam, mogelijke wisselstukken voor noodgevallen elders. Toch trok ze in zijn blikveld altijd even een minachtend gezicht of stak ze haar tong uit als een kind. Ze hield zich voor dat haar man het kon zien, in een of andere wachtplaats halverwege. Wetenschappelijke zekerheden zette ze aan de kant voor het naïeve geloof dat haar bevredigde.
Net voor Claudine het bezoek beëindigde, haalde ze het flesje eau de cologne uit haar tas. Ze besprenkelde haar man dan uitvoerig en goot zijn snor er vol mee. Laurence meende dat het zijn favoriete geur was en bracht regelmatig een flesje van de krachtigste soort mee. Ze wist niet dat de geur hem had doen kokhalzen, iedere keer opnieuw, soms zelfs als hij het flesje alleen maar zag. Het was de geur van zijn hel.
Haar zoon was woedend en kwam niet op bezoek bij zijn fraai opgestelde bondgenoot. Elke maand werd een deel van zijn toekomstige erfenis naar de bankrekening van La Casa doorgesluisd. Het ongelooflijke bedrag maakte hem gek, geschokt had hij het aantal maanden berekend dat het levende lijk er kon doorbrengen tot er geen geld meer zou overblijven. De houdbaarheid van een hersendode was de laatste decennia onwaarschijnlijk toegenomen. Zijn vader boven de grond houden, zou dus heel zijn vermogen laten verdwijnen. 
Claudine consulteerde de advocaat van La Casa, die haar kosteloos uitlegde dat haar beslissing de juiste was en juridisch niet aanvechtbaar. Zolang haar man niet was overleden, was er geen sprake van een erfenis en kon Claudine het geld gebruiken om hem te laten verzorgen. 
La Casa was een laagje bitterzoet over haar zure leven. Het was een smaakje dat ze zelf had bereid en dat soms heerlijk was, maar meestal flauw of kunstmatig als van goedkope snoepjes. Claudine wist dat ze ervan zou gaan walgen, waardoor steeds vaker een datum in haar hoofd bleef hangen, een dag van verlossing. Nog enkele maanden lagen tussen het nu en die dag. 
Ze lichtte het instituut in om de afbouwprocedure te starten en ze schreef haar zoon een brief. Op de verjaardag van de koude voorstelling die aan het verstandshuwelijk was voorafgegaan, speelde Claudine nog één keer Stravin­sky en haalde ze nog één keer de eau de cologne uit haar tas. Enkele uren daarna liet ze, administratief en juridisch helemaal in orde, de drie schakelaars omzetten.

© Daniël Op de Beeck 2018

bottom of page