Dromen wij in kleur? Denken wij in kleur? Horen wij in kleur? Herkennen wij een bepaalde tijd, periode, klimaat of omgeving? Zien we bewegingen, gebeurtenissen?

 

De droomwereld van Daniël Op de Beeck is niet kleurrijk, is totaal stil en verstild of onbeweeglijk. De denkwereld, de imaginaire wereld… de mentale ruimten van Daniël Op de Beeck betreed je zeer voorzichtig. Het is er zo perfect, zo stil, zo statisch, zo leeg. Toon op toon schildert hij vreemde figuren en landschappen, gebouwen. Herkenbaar en toch niet. Deze dualiteit van zijn mentale ruimte intrigeert de toeschouwer. Dualiteiten. Dilemma’s. Onbereikbaar en bevreemdend. Sacraal en toch profaan. Dramatisch en toch statisch en gevoelloos. Imposant en imponerend. Figuratief in vormgeving en abstract, zuiver mentaal qua inhoud. De monochromie ondersteunt de vorm en benadrukt de inhoud.

Herkenbaar en toch niet, reëel en irreëel: wat maakt de personages en landschappen zo uniek en tegelijk zo universeel?

 

De figuren zijn frontaal opgesteld. Het prachtige plooienspel van hun gewaden en hoofddeksels onthult en verbergt hun anonimiteit. Het zijn archetypen, universele wezens zoals de kleine prehistorische figurines van de cycladencultuur ca. 3000 jaar voor Christus. Leeg zijn de aangezichten. De antropomorfe wezens van Daniël zijn monumentaal maar niet dreigend, wel onaanspreekbaar. Ze symboliseren de leegheid in de mens in een lege ruimte. De wezens zijn on-wezen-lijk, ze zijn er, maar stralen geen fysieke kracht uit, geen leven. Niet tastbaar. Geen menselijkheid, geen aanwezigheid. Maar wel harmonie en plechtstatigheid. Enkel een vorm die refereert naar…

Stelt Daniël zich existentiële vragen die hij in beeldtaal tracht te formuleren?

 

Eveneens ondefinieerbaar zijn de landschappen: we zien eilanden, bouwwerken, memorialen en cenotafen. Statische landschappen met monumentale gebouwen die tijdloos zijn. Ze refereren naar een verleden maar ook naar de toekomst, ze zijn reëel en irreëel zoals een eclectisch bouwwerk. Het zijn tempels noch paleizen, niet religieus maar wel met een zekere sacraliteit in de zin van buitenwerkelijk. Ze zijn letterlijk denk-beelden, denkbeeldig. Een eindeloze verlatenheid en stilte. Ze symboliseren de tijdloosheid, de eeuwigheid, het begin, het einde, de eenzaamheid van de mens in het universum, in het leven. Onveranderlijkheid. Er is ook niemand aanwezig, ze zijn niet voor de mens bestemd. Of wel? Ze lijken ook zo perfect, onwezenlijk door het mathematische perspectief en lichtinval. De landschappen geven een ijl en koud gevoel. Je kijkt, voelt je aangetrokken, je bent een gefascineerde kijker. Je verlangt erin te stappen, te verkennen, te dwalen, maar tegelijk wijk je terug.

Er is een ingang, een ‘entres’, een onbestaand woord voor een onbestaande toegang of onbereikbaarheid. De sites zijn onbereikbaar, tenzij in gedachten of dromen. Het is een mentale ruimte die niemand wil, mag of durft verstoren. Het is een ideeënwereld. De ruimten refereren misschien aan de dood, het ‘au-delà’, wat je kan interpreteren als de eeuwige stilte en rust, het niets, de hemel, het hiernamaals… Onvermijdelijk herinnert deze beeldtaal aan het werk van de symbolist Böcklin maar Daniël puurt het beeld uit tot de essentie.

 

De werken van Daniël Op de Beeck zijn esthetiserend en haptisch omdat ze veel verbergen, ons nieuwsgierig maken en uitnodigen tot verdieping en zelfs introspectie. De transparante vlakken geven nog een extra dimensie, een bijkomende abstrahering aan de werken.

De panelen van Daniël Op de Beeck bekijk je best op een rustig moment zodat je gefascineerd de mentale ruimte kan ervaren, je gedachten kan laten verdwalen en filosoferen over de in beeld gestelde vragen.

De schilderijen stellen vele vragen maar geven geen antwoorden.

 

Andrée Charle

kunsthistorica