top of page
Zoeken

Een beul met een fijnschiller

  • Foto van schrijver: Daniël Op de Beeck
    Daniël Op de Beeck
  • 4 mrt
  • 4 minuten om te lezen










Het was al de derde dag dat de lapjes me bezighielden. Wanhopig probeerde ik ze thuis te brengen, een plaats te geven, ergens in mijn leven. De eerste dag vond ik het nog vermakelijk, dat zoeken naar losse eindjes. Ik keek dan uit naar de overwinning, die zou aanvoelen als lichamelijk genot. De tweede dag begon het me te ergeren, het ging lijken op een nederlaag. Nooit eerder had een oplossing zich langer dan een etmaal in mijn geheugen weten te verbergen.

Ik had de doos met de lapjes gevonden in de onderste lade van mijn bureau, onder de lederen map waarin ik mijn testament bewaarde. Omdat ik die map al vele jaren niet had ingekeken kwam de doos tevoorschijn als een ontdekking. Ze had zowat dezelfde kleur als de bodem van de lade en was bijna even groot. Zo leek ze een beetje op een geheim compartiment.

In de doos zaten drie dunne houten plaatjes waarop de lapjes waren geprikt, telkens vier, mooi naast elkaar. Op de onderste plaat zaten er slechts drie, het laatste lapje ontbrak. Ooit moet de reeks compleet zijn geweest, want ik zag kleine gaatjes waar de prikkers hadden gezeten.

Een verzamelaar was ik nooit geweest, meer nog, ik vond het bespottelijk om dingen systematisch bij te houden. Je verkreeg een allegaartje dat vrijwel altijd onvolledig zou blijven. Het was het cultiveren van onrust, het streven naar het onmogelijke. Mijn verbazing was daarom groot toen ik de etiketten met korte toelichtingen onder de lapjes zag. Ik herkende een ordelijke en verjaarde variant van mijn eigen handschrift.

De lapjes zelf hadden uiteenlopende vormen. Ze waren niet op dezelfde maat geknipt maar lagen als grillige eilandjes naast elkaar op de plaatjes, met hun gevarieerde tinten van eierschalen.

Toen ik er heel zachtjes over wreef, voelde ik de huivering die ik had verwacht. Onder mijn testament lag een verzameling van lapjes huid. Ik probeerde mezelf te overtuigen dat het wel varkenshuid zou zijn, maar daarvoor waren ze te fijn en te glad. Ook de blonde en grijze haren waren te dun om dierlijk te zijn.

Ik was duidelijk de eigenaar van een verzameling die zo uit een of ander bedenkelijk kabinet leek te komen. Souvenirs van een beul met een fijnschiller, bedacht ik zuur. Waar kwamen die stukjes mens vandaan? Had ik ze echt zelf verzameld en zorgvuldig opgespeld? Ik, de gevoeligste, de weekste onder de wekelingen? Ik, die insecten niet vertrap maar buitenzet, ik zou mensen hebben afgeschaafd?

Had ik misschien in een mortuarium gewerkt? Was ik een elegante man die in strak kostuum nabestaanden zalvend toesprak, maar na sluitingstijd trofeeën sneed uit hun dode dierbaren? Zou ik me het aanleggen van die verzameling dan niet herinneren, uit de tijd toen ik nog ordelijk schreef?

Ik weet zeker dat ik niet slim genoeg was om huidarts te worden. Al kon ik me het persbericht wel voorstellen: dermatoloog opgepakt die weefsel afnam voor andere dan medische doeleinden. Benadeelden worden opgespoord.

Ik heb nooit iets met huid gehad, maar het mogelijke bewijs van het tegendeel lag in de lade van mijn bureau, onder mijn testament. Was het mogelijk dat de doos een ander ik toebehoorde, een kloon van mezelf die niet langer bestond?

Laat niets in jezelf onontdekt, zoek tot je ik volledig is. Wees onbevreesd voor wat verborgen is. Ik leek een figuur uit een parabel.

Ben ik gewoon een mijnheer Amnesia die zijn oude huid heeft afgeworpen. Oude huid, ik moest erom lachen. Ik bedacht dat de ware ik ooit in slaap moet zijn gesukkeld en nu als een vreemde is ontwaakt. Of was de vreemde ingeslapen en nu als mezelf wakker geworden?

Ik bekeek mijn testament en herkende mijn eigen naam en die van mijn erfgenamen. Ik was dus de ik van altijd, ondertekend door mezelf en zowaar bekrachtigd door een notaris. Moest ik nu op zoek naar iemand die me kende als huidverzamelaar? Iemand die kon verklaren wat ik had gevonden in mijn eigen leven?

Moet ik al mijn vrienden bezoeken om uitleg te vragen? ‘Een doos met twaalf lapjes mensenhuid, zegt jou dat wat? Enkele zijn behaard en er ontbreekt er één. Heb ik jou ooit zoiets laten zien?’

Zou ik de federatie van antiquairs contacteren? Ik stel me hun antwoord al voor: ‘Mijnheer, wij hebben uw doos overgemaakt aan het gerecht. Daar had men het over een dozijn onopgeloste dossiers. Jammer wel, want het leek ons een interessante verzameling voor een erg lucratieve veiling.’

Ik had ook geen huisgenoten die grapjes met me konden uithalen en ik deed mijn bureauladen steeds zorgvuldig op slot. De verzameling moest wel toebehoren aan mijn eerdere ik. Vanaf nu lag ze midden in mijn leven. Ze zou er altijd zijn, zelfs als ik ze weggooide. De verzameling zou nooit meer niet bestaan.

Ik was een man geworden die ik niet langer kende, een vondeling in mijn eigen leven. Een tweeling in één lichaam. Ik weet niet hoe ik mezelf nog moet benoemen. Iemand in mij had stukjes van mensen gesneden en ze opgespeld als vlinders.

Nooit zou ik hem kennen, die vreemde in mij.



 
 
bottom of page