Taart!
- Daniël Op de Beeck

- 20 mrt
- 10 minuten om te lezen

Net voor zijn pensioen kwam M. tot een geweldige vaststelling: de functie die hij 42 jaar lang had uitgevoerd, was onvoorstelbaar belangrijk. Dit besluit praatte hij zichzelf aan, na die eindeloze periode waarin hij elke dag tegen zijn zin naar kantoor was gegaan. Hij wist dat zelfrespect nodig was voor gemoedsrust. M. had het even nagerekend: 73 920 uren had hij dezelfde administratie gevoerd, zijn inwerkperiode niet meegerekend. Er kon een kleine afwijking op het resultaat zitten, maar hij hield het bij dit getal.
Het was de som van de zin van zijn leven, inhoud uitgedrukt in bestaansuren. M. was al die tijd gewoon het verlengde geweest van een toestel dat hij moest vullen met gegevens. Papieren documenten werden in mappen op zijn bureau gelegd, links van zijn toetsenbord. Op het einde van de dag lagen de ingevoerde documenten rechts en werden ze opgehaald om vernietigd te worden. Het was een onwaarschijnlijk eenvoudig en monotoon werk, maar tegelijk ging het over mensenlevens. Standvastigheid en doorzettingsvermogen waren de zuilen die het hele systeem droegen. Welke functie was zwaarder dan acht uur per dag cijferstrengen invoeren en weten dat één fout een catastrofe veroorzaakte? M. mocht trots zijn op die 73 920 uren.
De overheid had bepaald dat er drie functionarissen nodig waren om de documenten Geboorte en Dood van het hele land te verwerken. Dat bleek voor die functionarissen ruim voldoende om elke week een dag ziek thuis te kunnen blijven. Die hersteldagen werden aan het begin van het kalenderjaar zorgvuldig ingepland in het werkschema zodat het kantoor nooit onbemand bleef. Zelfzorg garandeert continuïteit, dat was het credo van Bevolking/Dienst Invoer/Geboorte en Dood. De wekelijkse rustdag verhoogde de concentratie waardoor fouten werden vermeden.
Deze werkregel was ingevoerd door de twee collega’s van M. Zij waren overtuigd van hun opvatting maar begrepen dat iemand als M. zich niet in dit schema liet opnemen. M. zou altijd aanwezig zijn, ook als hij echt ziek was. Hij zag zichzelf als de kapitein van het schip, oud maar altijd aan boord, altijd rechtop. Voor hem geen hersteldagen.
M. moest wel toegeven dat hij een ongenoegen gewaarwerd. Het was zo’n jaar geleden zijn gedachten binnengeslopen. Hij haalde zich steeds vaker zijn laatste werkdag voor de geest. Op een datum die nu al vastlag, zou hij het kantoor verlaten en er nooit meer terugkeren. De strikte veiligheidsregels zouden hem de toegang zelfs wettelijk ontzeggen. Zijn onberispelijke staat van dienst zou worden afgesloten met een fles sterkedrank die hij niet lustte. Daarna werden die 42 jaren gewoon een regeltje in de annalen van Bevolking/Dienst Invoer/Geboorte en Dood.
M. dacht aan het laatste van die 73 920 uren waarin hij aan de achterdeur zou worden gezet. Iemand anders zou vanaf dan gewoon op zijn stoel gaan zitten en zich ongetwijfeld laten opnemen in het schema van de hersteldagen. Hij zou algauw worden ingelicht over het borreluurtje aan het einde van de dag en daarbij uitgenodigd worden schunnige verhalen te vertellen. Met die nieuwe werd de scheve driehoek in de Dienst Invoer mooi gelijkzijdig. Daar was M. zo goed als zeker van.
In 42 jaar niet één dag afwezig, nooit ook maar één fout gemaakt, de mappen links en rechts van zijn toetsenbord altijd evenwijdig met de rand van zijn tafelblad. M. had geen balpen te veel gebruikt, was nooit vergeten het licht uit te doen, had elk kruimeltje van zijn lunch netjes in zijn brooddoos geveegd. En nu zou hij dus gewoon verdwijnen. Over enkele jaren zou hij vergeten zijn, of zou men lacherig over hem praten tijdens het borreluurtje. Eigenlijk werd hij er misselijk van. Het leven spot met diegenen die het systeem feilloos laten draaien, met mensen zoals hij.
M. vond dat hij recht had op een beloning, een compensatie voor alle hersteldagen die hij niet had opgenomen, voor alle borreluren die hij had doorgewerkt. Geld wilde hij niet, er was dan ook geen kas voor voorbeeldige functionarissen. Hij wilde een stiekem aandenken, een kleine misdaad waarmee hij zou wegkomen. Een heerlijk rotte kers op de taart van zijn leven, zo noemde hij het voor zichzelf. M. wilde een tegengewicht voor die volgehouden beroepsethiek.
Boze wensen waren gaandeweg uitgegroeid tot fantasieën en verder tot ideeën. M. schrok van het ongenoegen dat doorheen de jaren onopgemerkt was gegroeid en nu aan de oppervlakte lag. Zo dacht hij aan H. die al 23 jaar naast hem hetzelfde werk deed, en die hem al die tijd had aangekeken met een fijne minachting. Te weinig om hem erop aan te spreken maar te veel om te negeren. Zijn blikken waren naalden die zachtjes prikten, niet diep, maar wel elke dag. M. was eraan gewend geraakt, hij had zich ernaar geschikt, tot hij nu de rekening opmaakte.
M. zou die rekening van 23 jaar kunnen vereffenen. Hij had nog enkele weken om rustig een plan op te maken dat hem zou bevallen. Hij zou het toetsenbord hanteren, een ander wapen kon hij niet bedienen. Stel dat hij het leven van H. administratief beëindigde, wat zou dat geven? H. zou de volgende dag aan de ingang worden tegengehouden. Mijnheer H., uw kaart staat op non-actief want u bent dood. U kan niet komen werken. Een hilarische fout van de Dienst Invoer. Was het M. of collega W. die ze had gemaakt? Of had H. zichzelf met een foute toetsaanslag vermoord? Lachen, rechtzetten en verder met het werk. Het zou niets meer zijn dan een verhaal voor het borreluur. M. moest verder denken.
De laatste maandag voor zijn pensionering kwam M. blij het kantoor binnengewandeld en zette zich aan zijn toetsenbord, zijn zachte wapen. Glimlachend streelde hij de cijfers en de letters, iets wat hij in die 42 jaar nog nooit had gedaan. M. wist dat H. vandaag zijn hersteldag nam waardoor de stoel naast hem vrij bleef en hij rustig zou kunnen werken. Hij kon zo ongestoord H.’s dossier openen en de codes invoeren die zijn doordachte plan zouden opstarten.
H. had een vrouw en drie kinderen en zijn beide ouders leefden nog. De eerste pagina van het dossier gaf die informatie weer in een stamboomdiagram. Elk van de zes familieleden stond in een apart vakje, samen met de lange identificatiecode. Het vakje van H. had een kleurtje en stond in het midden omdat het zijn dossier was. Een klik op het vakje van zijn vrouw bracht M. meteen in haar dossier, waar zij dan met een kleurtje in het midden stond. Door een systeemfout had de Dienst Invoer/Geboorte en Dood toegang tot de volledige dossiers van de bevolking.
Uiteraard hadden H. en W. dit nooit gemeld zodat ze rustig konden gluren in het Dossier Gezondheid. Ze kenden de kwaaltjes en de bijhorende onderzoeksresultaten van iedereen wiens code ze intikten. Elke operatie, prothese en therapie konden ze met enkele klikken opvragen. Hetzelfde werkte voor het Dossier Justitie. H. en W. kregen even snel inzage in dossiers als de rechtbanken, wat ze natuurlijk geweldig vonden. Ze hadden M. bijzonder uitdrukkelijk gevraagd om deze systeemfout niet te melden. H. had daarbij overdreven vriendschappelijk zijn hand op M.’s schouder gelegd. Met een diplomatische glimlach had M. tegelijk afkeuring en instemming getoond. Overmacht onderdrukte zijn beroepsethiek.
Uitgerekend die systeemfout zou M. nu helpen bij de uitvoering van zijn afscheidsplan. Hij had er de afgelopen dagen grondig over nagedacht zodat hij nu alles vlot in de verschillende dossiers kon invoeren. Dankzij de open profielen waarmee iedereen werkte kon zijn identiteit niet worden achterhaald. M. had altijd een hekel gehad aan die open toegang. H. en W. hadden zo altijd onopgemerkt hun werklast kunnen afstemmen op hun sterk variërende werklust. Maar vandaag was de open invoer het fundament van zijn plan.
M. had het hele weekend gefantaseerd over de mogelijkheden. Die vreselijke vrouw van H. zou hij linken aan twee recente brandstichtingen. Hij hoefde maar een aanvraag tot vooronderzoek in haar juridisch dossier te stoppen, zo eenvoudig kon de gerechtelijke procedure worden opgestart. Het hele theater van onderzoeksrechter, speurders, advocaten, en journalisten zou M. gewoon aan zijn bureau kunnen opzetten.
De zoon van H. zou zijn diploma verliezen, alsof hij het nooit had behaald. M. zou het gewoon uit zijn studiedossier halen en het met enkele toetsencombinaties laten verdwijnen. Zo kreeg H. een zoon met een problematische loopbaan wegens vermeende fraude. Van de andere zoon kon M. een autodief maken, hoewel dat wat gewoontjes was. In het medisch dossier van de dochter zou hij een seksueel overdraagbare ziekte invoeren. De respectabele H. zou een vuile dochter krijgen. En voor H. zelf had M. iets speciaals bedacht.
M. rekte zich uit en wiegde zijn hoofd van links naar rechts. Vandaag was de dag van zijn leven, hij zou zijn heldendaad stellen in deze laatste uren van de 73 920. Vakkundig en doeltreffend, doordacht en clandestien. Hoe bevredigend kon een plan zijn! Vandaag was M. een gemaskerde rechter die het vonnis van zijn leven zou vellen, en meteen ook de uitvoering zou regelen. Verschillende levens lagen in zijn handen zonder dat ze het wisten.
M. zou tot na de middag wachten om de documenten in te voeren, de ochtend zou hij doorbrengen in stille voorpret. Het zou zijn hersteldag worden maar dan zonder afwezigheid. Functionaris M. liep rond met de zekerheid van een supervisor, maar zorgde ervoor dat W. niets merkte. Hij sprak hem net zo beleefd en zakelijk aan als anders en ‘s middags bij zijn lunch las hij zwijgzaam de krant, naar jarenlange gewoonte.
Na het middageten ging de deur onverwacht open. Dat gebeurde nooit want de Dienst Invoer/Geboorte en Dood had alles wat nodig was binnen de muren van het kantoor. H. kwam plechtig binnengeschreden met een doos in beide handen. M. keek verschrikt op. Nog nooit in die 42 jaar was er een halve hersteldag opgenomen. Het schond het systeem van het heilige eigenbelang. En nu kwam uitgerekend H. demonstratief binnen.
W. stond op en ging naast H. staan. Samen kwamen ze op M. toegestapt. Met een theatraal gebaar werd de doos neergezet en geopend. M. kreeg de mooiste en grootste taart aangeboden die hij ooit had gezien. Ze bestond uit drie lagen zoals een klassieke bruidstaart en was opgebouwd in kleuren: onderaan lag donker fruit, in het midden een tussenkleur en bovenaan lichte, kleine bessen. Alles was verbonden door sliertjes slagroom die sierlijk omheen de vruchten kronkelden.
‘Wij beiden zelf gemaakt, speciaal voor jou. Twee avonden aan gewerkt, en zonder hulp. Voor je 42 jaren trouwe dienst, als oude kapitein van het schip Geboorte en Dood. Cadeau van de matrozen, zeg maar!’ H. en W. glimlachten vriendelijk.
Kapitein van het schip, helemaal zoals M. zichzelf in gedachten noemde. Hoe kon het zijn dat die woorden uit hun mond kwamen. Ze verdubbelden de verbazing over de taart en brachten M. op een vreemde manier in de war. Hij bracht beleefde woorden van erkentelijkheid uit, een beetje formeel, omdat hij niet anders kon. Hij had H. en W. nog nooit hoeven te bedanken en schrok van wat hij zichzelf hoorde zeggen.
Opeens dacht M. aan een smerige val, een gemene streek verpakt in een mooie doos. De prachtige taart was opgeklopt vergif, vakkundig versierd in drie lagen. Zonder twijfel traagwerkend, waarschijnlijk misselijkmakend en misschien wel dodelijk. Het laatste cadeau in zijn leven. Of zou het een verrassingstaart zijn met vullingen van mosterd, chilipeper en azijn? Of gebakken met steentjes doorheen het beslag? Of glasscherven, stel je voor.
M. stond op en ging naar het keukenkastje waar hij bordjes en bestek haalde. Hij zou zijn cadeau delen met de charmante gifmengers. Terwijl hij de taart uitvoerig bewonderde, sneed hij er voor iedereen een stuk uit. H. en W. kregen elk een bordje met daarop alle vruchten en gebak uit de drie verschillende lagen. M. was even zorgvuldig in zijn snijwerk als bij het invoeren van cijferstrengen.
Na elk hapje dat H. en W. namen en uitvoerig goedkeurden, proefde M. van hetzelfde stuk op zijn bordje. De twee functionarissen van de Dienst Invoer/Geboorte en Dood waren de voorproevers van de oude kapitein. Anders dan wat hij had verwacht aten ze behoorlijk snel, op het onbeleefde af, en prezen lachend hun bekwaamheid als banketbakkers. Gerustgesteld at M. nu zijn eigen stuk op en vond het bijzonder lekker. Eerlijk is eerlijk, dacht hij.
De oude kapitein die zo graag vernieling had aangericht, zat te smullen van het cadeau van zijn slachtoffers. Hij proefde nu opeens ook in elke laag een andere fijne likeur. Met ieder hap nam zijn vertwijfeling toe. H. had ondertussen koffie gezet aan het keukenkastje en bracht drie kopjes naar het bureau van M. Op het dienblad stond ook een sierlijk karafje koffiemelk en een schoteltje met suikerklontjes.
W. informeerde vriendelijk of de taart voldeed en of hij toch zeker nog wel een tweede stuk zou nemen. Vergif, dacht M. nu weer, vergif met een vertraagde werking waardoor H. en W. nog rustig tegengif konden innemen. Zoiets had hij weleens gelezen in een misdaadroman. H. kon het kon gemakkelijk door twee van de drie kopjes koffie hebben gemengd.
W. legde een tweede stuk taart op elk bordje terwijl hij goedkeurend gromde. H. prees de juiste hoeveelheid likeur die W. had afgemeten bij de bereiding. Ze leken twee kinderen die hun eerste taartje hadden gebakken en hun trots niet op konden. M. zat er glimlachend naar te kijken terwijl hij het kopje van W. nam, dat vlakbij het zijne stond, en het rustig leegdronk. De mannen hadden het niet eens opgemerkt, ze waren vol van hun bakwerk.
M. was er nu gerust in. Ofwel lag W. voor het einde van de werkdag op de grond, ofwel was het een taart van het zuiverste deeg. ‘Ik zet nog koffie,’ zei M. nadat de kopjes leeg waren. ‘Nemen jullie gerust nog een derde stuk taart.’ H. en W. lachten alsof ze betrapt waren.
Na nog twee koffies ging H. naar huis voor het tweede deel van zijn hersteldag. Hij kuchte theatraal en knipoogde naar zijn collega’s. W. zette de aangesneden taart terug in de doos en sloot ze zorgvuldig. ‘Bedankt voor de taart en de koffie,’ zei hij tegen M. ‘Nog een fijne allerlaatste week, en daarna nog een prettig en eindeloos pensioen!’
M. bedankte uitvoerig, veegde de achtergebleven kruimels netjes in zijn hand en gooide ze in de vuilnisbak. Hij zette de bordjes en de kopjes op het keukenkastje en begon ze af te wassen. W. protesteerde en wilde dat zeker zelf doen maar M. had zijn handen al in het schuim.
Even later zat M. aan zijn werktafel, klaar voor het uitvoeren van zijn plan. Zijn handen waren nog warm van het afwaswater terwijl hij keek naar het servies op het afdruiprekje. Resoluut nam hij een document van de stapel, links van zijn toetsenbord. Hij las de gegevens die het overlijden van ene juffrouw Amelia V. beschreven, en klikte het overlijdensregister open. Zorgvuldig tikte hij de cijferstrengen in die haar dood officieel zouden maken.
Zijn plan zou hij naar het einde van de dag verschuiven. Er lagen nog heel wat geboortes en overlijdens te wachten die vandaag zeker nog geregistreerd moesten worden. Bovendien lag de taart wat op zijn maag.


