top of page
Zoeken

Bloedbijl

  • Foto van schrijver: Daniël Op de Beeck
    Daniël Op de Beeck
  • 2 apr
  • 10 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 4 apr











August was druk bezig op zijn veld. Zijn groenten betekenden alles voor hem, zijn hele leven al. Zijn ouders hadden hun hele bestaan ook al gewijd aan de landbouw, net als zijn grootouders en alle generaties daarvoor. Hoogstwaarschijnlijk dan toch want de familiegeschiedenis werd niet echt bijgehouden. Het boerderijtje had hij na de dood van zijn vader geërfd, net als alle aanwezige landbouwwerktuigen en verscheidene zakjes met kostbare zaden. Die werden doorheen de jaren zorgvuldig bewaard als investering voor latere oogsten. Ze lagen koel, droog en donker in een speciale kast met een slot op de deurtjes. Ze waren het goud van de boer.

August bewaarde alles ordelijk. De rieken, rijven en harken hingen naast elkaar omdat ze allemaal tanden hadden, de spaden en schoffels omdat ze allemaal scherp waren. Alle werktuigen hingen bovendien volgens steellengte. Elke boer zou erom lachen maar er was nog nooit een boer op bezoek geweest. August zou het zeker wel willen, in gezelschap een borrel drinken op de bank naast zijn achterdeur. Hij wist evenwel zeker dat niemand ooit zijn erf zou betreden. Niemand uit het dorp en al zeker niemand uit de stad verderop.

In volkomen eenzaamheid teelde August zijn groenten, ook al had hij een volwassen zoon die bij hem inwoonde. François was niet spraakzaam, om niet te zeggen dat hij gewoonweg geen woord uitbracht. Alleen als hij de vragen van zijn vader niet met gebaren kon beantwoorden, sprak hij enkele woorden. Nooit vijf als hij het met vier gezegd kreeg. De zoon was niet op de boerderij geboren, hij kwam op een dag langs met een brief waarin zijn moeder hem aan zijn vader overdroeg. August had hem aangekeken en meende trekken te herkennen van de vrouw die hij enkele keren in een herberg had ontmoet. Eerst had hij hem boos de rug toegekeerd, beschaamd omdat zijn ouders nu wisten wat hij jaren geleden had gedaan. Maar Augusts vader had zichzelf gezien in de jongeman en hem in de armen gesloten, blij dat zijn naam volkomen onverwacht zou worden voortgezet, in een kleinzoon nog wel.

August had geen keuze gehad, en na de dood van zijn vader, kort daarna, kon hij François de deur niet meer wijzen. Ook omdat zijn moeder hem had aanvaard, woordeloos maar duidelijk overtuigd. Ze had hem zelfs meer aandacht gegeven dan haar eigen zoon in zijn kinderjaren. August en François hadden de tijd die volgde als verre kennissen samen op het veld gewerkt, zonder erkenning van enige bloedband. Na de dood van ouders en grootouders waren ze elkaar gewoon verder blijven verdragen.

Vader en zoon deelden zeker wel de liefde voor grond en gewassen. Ze hadden elk hun eigen veld waarop ze hun favoriete groenten teelden. François had ook een stukje grond wat verderop om nieuwe gewassen uit te proberen. Hij durfde in zijn jeugdige overmoed dingen zaaien en planten waarvan zijn vader nog nooit had gehoord. Die haalde hij op de markt in de stad vlakbij waar August nooit zomaar naartoe ging. François zag er boeren die zaaigoed aanboden dat in andere streken goed gedijde. Hij kreeg er vanzelf de goede raad en de jarenlange ervaring bij waardoor hij op zijn veld mooie oogsten had.

August hield het bij de groenten die hij kende omdat hij weinig interesse had voor vreemde dingen. Zijn veld was strak opgedeeld in zes gelijke percelen, gescheiden door smalle wandelpaadjes. Elk perceel had vier bedden met voren die precies breed genoeg waren om gemakkelijk te kunnen werken. August keek neer op de scheve lijnen en de ongelijke verdelingen in het veld van zijn zoon. Ondanks de mooie oogsten was het hem een doorn in het oog. François zette zijn planten dan ook nog op een vreemde manier naast elkaar. Opzettelijk of uit nonchalance, August kon het niet bedenken.

Enkele keren per jaar moest August naar de stad. Hij deed het tegen zijn zin en was dan altijd heel zenuwachtig. De taak die hij er moest uitvoeren had zijn vader hem op de schouders gelegd. Als jong kind moest hij mee om te kijken, wat een goede leerschool was volgens zijn vader. Een ambacht moest je leren door het te doen, maar vooraf kijken leverde heel veel op. De zoon van een bakker begon met het kijken naar graan en een bezoekje aan de molen. Een rattenvanger toonde zijn zoon het ongedierte eerst in een kooi en daarna in een val. Kijken was het eerste veilige stapje.

August volgde zijn vader op omdat die het een eer vond, er liep geen weg naast. Het werd Gustje ingeprent als een dagelijks gebed. Het leek te horen bij de regels van het leven: een jongen doet wat zijn vader deed. Moeder had het er nooit over maar gaf ook geen weerwoord. En ze boende vaders werktuig altijd ’s avonds wanneer August naast haar zat, wat zeker deel uitmaakte van het plan.

Het leven op een afgelegen boerderij waar ook vroeger al geen bezoek kwam, had van August een gedreven boer gemaakt. Hij was bezeten geraakt door alles wat groeide omdat er gewoon niets anders was. De taak die hij van zijn vader had overgenomen verstoorde zijn werk op het veld maar zou er altijd zijn. Zijn ambt neerleggen ging niet want de stad had hem aangesteld en volgens een ongeschreven wet was dat voor het leven.

De eerste keer dat August de taak van zijn vader overnam, lang geleden, ging elke dag even door zijn hoofd. Dat gebeurde op willekeurige momenten, soms ook ’s nachts. Dat zou zo blijven tot ze hem ten grave droegen, en misschien zelfs nog daarna, dat wist niemand. In gedachten stond August iedere keer met gebogen hoofd voor een oudere man met een gouden ketting om de hals. De man nam het schitterend opgeboende werktuig traag uit vaders handen en overhandigde het hem met woorden die hij niet begreep. August wist dat hij door dit plechtige gebaar de bijl nooit meer zou kwijtraken.

Jarenlang had hij met zijn vader thuis geoefend, met groenten op een lage boomstronk. Ze gebruikten daarvoor een oude bijl, gekarteld door het vele gebruik, maar telkens weer heel scherp geslepen. Eerst hakte August bloemkolen doormidden die moeder nadien gewoon klaarmaakte. Daarna legde zijn vader steeds kleinere groenten op de stronk wat een grotere concentratie vereiste. Het eindigde uiteindelijk met kleine uien, elke dag vijf, tot moeder vroeg om eens met tomaten te oefenen.

Toen August nauwkeurig kon klieven, moest hij oefenen op kracht. Stukken brandhout dienden eerst met drie houwen gespleten te worden, later met twee en uiteindelijk in één keer. Voor dat speciale moment mocht August de geboende dienstbijl gebruiken, wat hij toch speciaal vond, ondanks zijn weerzin voor wat hij later op het marktplein zou moeten doen. Hij wist dat voor die ene slag zijn moeder toekeek van achter het keukenvenster. Daar werd hij zenuwachtig van, want hij wou haar niet teleurstellen.

Op zijn vijfentwintigste kwam de meesterproef. Vader gaf August de dienstbijl en maakte een hoofdbeweging naar het biggetje dat op het erf stond. De zoon staarde de vader aan en daarna het varkentje dat hij al een heel jaar Julius had genoemd.

Vader legde Julius neer met zijn nek precies op de oefenstronk. Het varkentje krijste en spartelde en vader maakte weer een hoofdbeweging. De zoon van de beul zwaaide met de bijl, gracieus en gewelddadig tegelijk, en scheidde met één slag het kopje van het lichaam. Vader glimlachte trots: de stad had een nieuwe beul.

‘s Avonds waste August het bloed van de dienstbijl die nu de zijne was. Daarna gaf vader hem het leren kostuum en de zwarte kap die hij zelf ooit van zijn eigen vader had gekregen. Gelijk zette hij August daarmee levenslang aan de rand van het bestaan, met alleen maar groenten en ieder jaar een varken. Maar zo werd hij wel de rechterhand van de rechter en kreeg hij één van de hoogste maatschappelijke taken: met één kolossale slag het wereldse kwaad de hel in gooien. Dat vond vader een verheven daad, een slag die iedereen wilde zien maar die niemand bereid was te geven.

Er waren mooie, rustige jaren waarin August niet naar de stad werd geroepen, maar dat wist hij nooit op voorhand. Tijdens het schoffelen, ploegen of planten keek hij altijd met één oog naar de zandweg en als hij uit het varkenshok kwam, was hij blij dat er geen boodschapper op het erf stond. Dat gaf het boerenwerk in al zijn eenvoud een spanning die zorgde voor een altijd aanwezige onrust. August wist niet of de onverwachte komst van zijn wellustig verwekte zoon een oplossing kon zijn. Zou hij de last aan François kunnen doorgeven door hem de dienstbijl te overhandigen?

Kon hij hem bloemkolen en uien laten klieven op de oefenstronk om uiteindelijk het eergevoel van zijn eigen vader door te geven? August bekeek bijna dagelijks de oefenbijl die hij ordelijk naast de spaden en de schoffels had gehangen. Aan de rechterkant, omdat ze de kortste steel had. De schitterende dienstbijl had François nog nooit gezien omdat zijn pas ontdekte vader ze altijd in een tas meenam naar de stad.

Kon August zijn onbevangen zoon zelfs maar vertellen dat hij een hoofdenhakker was, een rechtvaardige moordenaar? Op het marktplein verborg de zwarte kap zijn ware gelaat, op de boerderij was het zijn zwijgen. Vragen hoefde August niet te ontwijken, er werden er geen gesteld en niemand zou zijn geheim hier komen verklappen. De boodschapper van de rechter richtte het woord enkel en alleen tot de beul en gaf de brief met het bevel tot uitvoering alleen aan hem, ook al kon hij niet lezen. August had zijn zoon meteen gevraagd of hij wel kon lezen. Een diepe brom was het antwoord dat neen moest betekenen.

Vader en zoon, die beiden hun verbinding met elkaar niet aanvoelden, kweekten elk hun groenten op hun eigen veld. August zo veel mogelijk, François zo verscheiden mogelijk. August maakte het gereedschap na elke werkdag schoon, François hing het beslijkt aan de haken, korte en lange stelen door elkaar. Het herbergmeisje had hen tot elkaar veroordeeld.

Enkele jaren van zwijgzaam kweken gingen rustig voorbij. Vader August zorgde voor de konijnen, kippen en geiten die ze er in die tijd hadden bijgenomen. Zoon François bracht de groenten naar de markt waar hij met de andere boeren de gesprekken voerde die hij thuis niet over de lippen kreeg. Toch bracht hij op de boerderij al weleens enkele woorden uit die niet echt noodzakelijk waren. Het gebrom werd zo een how! en wat later Niet te vol! als August de kar overlaadde.

Elk uitgesproken woord deed iets met August, het voelde aan als een warme tinteling. Iedere keer gaf hij antwoord, voorzichtig en afgewogen. Het leek op de opbouw van een kwetsbaar bestand na het verlaten van de stellingen.

Het verzorgen van de dieren bleek daarbij te helpen. François vertelde een gekwetst konijn wat er aan de hand was met zijn pootje terwijl August het hoorde. Die sprak het konijn dan troostend toe en zei wat ze eraan zouden doen. François vroeg de kip wat er met haar moest gebeuren nu ze uitgelegd was en August stelde haar de mogelijkheden voor: slachten of verkopen. Via de geiten hadden vader en zoon het over de opbrengst van hun melk en de prijs van hun vlees. De dieren keken hen wezenloos aan tijdens de gesprekken wat beide mannen tegelijk grappig en ontroerend vonden.

Het bracht in ieder geval de vader dichter bij zijn onbekende zoon en de zoon dichter bij zijn vreemde vader. Alleen over het beulswerk in de stad kon niet worden gepraat, met geen enkel dier. Het bleef een geheim. Elke keer als August met de verpakte bijl naar de stad ging werd er gezwegen. Bij terugkeer had hij een paar schoenen bij, een pot zalf, een ketting, een riem of wat dan ook een reden voor zijn vertrek had kunnen zijn.

 

In een vroeg voorjaar vertrok François naar de stad met een kar vol winterbloemkolen en kwam niet meer terug. Niet na enkele uren zoals gewoonlijk, niet de dag erna en ook de dagen die erop volgden niet. Het gekke was dat August niet verbaasd was, het leek alsof hij het al die jaren had verwacht en dat het gewoon nu gebeurde. Het leven van de onbekende zoon kreeg een afloop midden in het leven van zijn vader.

August had naar de stad kunnen gaan en er de kroegen aflopen, waar iedereen hem ook zonder zijn kap zou herkennen. De beul op zoek naar zijn zoon, hij gruwde als hij eraan dacht.

Was het wel zijn zoon, of was het een gelukzoeker? Kon het iemand zijn die indertijd alle boerderijen was afgegaan tot er een alleenstaande man het vaderschap wou opnemen, vanuit twijfel, godsvrees of medelijden? Stel dat het herbergmeisje zomaar iemand naar hem had gestuurd, een goede daad voor een schooier of gewoon een dronken grapje. In gedachten zag August het herbergmeisje weer dat de moeder van François zou worden. Hij zag haar staan achter de brede tapkast die de drinkers op afstand hield, de mannen die voor haar een moord zouden begaan. August was één van hen geweest, maar wat stond er in de brief die François bij zich had, en precies hém aanduidde?

Lezen had August nooit geleerd, om groenten te kweken was het niet nodig, en om hoofden af te hakken evenmin. In de stad waren briefschrijvers, die de brief vlot zouden kunnen voorlezen, en misschien kon de boodschapper van de rechter het ook wel, maar daar mocht August zelfs niet aan denken.

Zijn vader had zichzelf in François herkend, maar wat was dat waard? Het was meer zijn wens geweest dan wel een aanvaardbaar bewijs. August zou nooit te weten komen of hij in zijn bestaan een levend spoor had nagelaten. Gaf hij al die tijd zijn eigen zoon te eten, of een wildvreemde, een bastaard uit een herberg?

 

Enkele weken na het verdwijnen van François zag August een man op de zandweg. Zoals altijd voelde de beul een schokje in zijn onderbuik wanneer hij de gerechtelijke boodschapper herkende. Nochtans voelde August dit keer naast afkeer ook de invulling van een nare verwachting. Na François’ verdwijning, die hem vreemd genoeg niet had verbaasd, zou dit de afloop worden die hij had voorvoeld.

De boodschapper overhandigde de beul de brief die hij niet kon lezen en lichtte kort toe wat er was gebeurd. Het ging om doodslag, de dader was herkend en er waren getuigen gehoord. De rechtbank had er weinig moeite mee gehad. Volgende week werd August op het plein verwacht.

Zo ging het altijd: een brief, een toelichting en een datum. Meer hoefde een beul niet te weten, vond men. De rechter beslist en de beul voert uit. Een simpele gang van zaken, eeuwenlang al, van vader op zoon. Alleen was het deze keer anders, zo anders dat August de terechtstelling niet zou kunnen uitvoeren. Maar een beul kon een taak niet weigeren en zijn ambt neerleggen zou een schande zijn. Een laffe beul deed een rechtbank wankelen.

 

De dag van de terechtstelling verscheen August niet op het marktplein. Het vonnis zou niet worden uitgevoerd, wat nooit eerder was gebeurd. De boodschapper werd in allerijl naar de afgelegen boerderij gestuurd terwijl de menigte ongeduldig werd.

Het erf was verlaten en het enige geluid dat de uitgeputte boodschapper hoorde was een gegrom uit het varkenshok. Aan de achterdeur die uitgaf op het erf, hing de dienstbijl, glimmend in het zonlicht. De boodschapper begreep dat hij niet op de deur hoefde te bonzen, August was er niet en zou er nooit meer zijn. De bloedbijl hing klaar om te worden meegenomen voor de nieuwe beul. Ze zou niet overgaan van vader op zoon.

 



 
 
bottom of page