top of page
Zoeken

De Veldheer van het abdomen

  • Foto van schrijver: Daniël Op de Beeck
    Daniël Op de Beeck
  • 3 mei
  • 7 minuten om te lezen










Casimir W. Dufrenne was de Veldheer van het abdomen, die ingewikkelde, goed gevulde ruimte tussen borstkas en bekken. Hij kende elk onderdeel dat er te vinden was alsof hij het zelf had gemaakt. In zijn hoofd bevond zich de meest gedetailleerde atlas van alles wat er ingebed lag. Elke mogelijke afwijking kon hij benoemen op basis van diagnose maar ook vanuit een magisch vermoeden dat andere chirurgen onbekend was.

Niemand van de medische staf noemde hem bij zijn voornaam, zelfs de directie niet. CWD was blij dat hij ook lesgaf, want zo werd hij aangesproken met professor, wat indrukwekkender klonk dan dokter. Dierenartsen en tweederangs huisartsen waren immers ook dokters. Unterschied muss sein, was één van zijn favoriete uitspraken, zijn persoonlijk credo zelfs.

Dat hij de beste was, hoorde hij niet graag. Hij was belust op superlatieven, op woorden en vergelijkingen die hij nog nooit had gehoord, die de grenzen van de taal aftastten. Met een glimlach declameerde hij weleens de loftuitingen die hij over zichzelf had gehoord. Iedereen geloofde dat hij de complimenten neerschreef in een boekje met een gouden omslag.

CWD koos zelf de assistenten die hem in de operatiekamer omringden. Hij riep ze weleens terug uit verlof alsof ze bevoorrecht waren om de meester bij te staan. Zijn feilloze manier van werken in de buikholte deed denken aan een ingenieur die zijn eigen uitvinding optimaliseert. CWD aarzelde nooit wanneer hij vliezen doorsneed of organen opzij legde. Hij hanteerde de scalpel met delicate bewegingen, zoals een fijnproever zijn bestek. De cruciale snede voerde hij steeds uit met de flair van een dandy waarmee hij graag zijn meesterschap toonde.

 

Casimir W. Dufrenne kreeg nooit klachten, nooit moest een ingreep worden overgedaan omdat hij te veel of te weinig had weggesneden. Iedereen die onder zijn scalpel kwam, verliet het ziekenhuis hersteld en opgetogen. Het abdomen is mijn strijdperk, en ik ben de veldheer. Het was zijn persoonlijk adagium geworden na iedere operatie. Al snel had hem dat de bijnaam opgeleverd waarop hij stiekem had gehoopt. Ieder groot man had een bijnaam en mooier dan de Veldheer kon het nauwelijks zijn.

Men zei de Veldheer of CWD als men het over hem had. En als men hem aansprak was het met dokter of professor Dufrenne. En toch was er iemand die Cas zei. Niet Casimir, maar Cas! En sinds enige tijd zelfs Cassy. ‘Wat denk je, Cassy? Kan je dat aan?’ of ‘Is je vrouw nog tevreden van je, Cassy?’ Het waren gloeiende dolken in zijn buik. Het ergste was dat die man het deed in aanwezigheid van het personeel. ‘Is Cassy vandaag de beul van dienst?’ vroeg hij zomaar aan een verpleegster. Iemand tussen twee vuren zetten, daar bleek de nieuwe algemeen directeur wel van te houden.

De raad van bestuur had hem het vertrouwen gegeven omdat hij binnen verschillende domeinen wonderen had verricht. Gekende tactieken en klassieke beleidsstrategieën hanteerde hij nooit. Zijn beslissingen leken altijd dwaas en ondoordacht. Als de staf zijn visie meende te begrijpen, nam hij dan toch weer een bocht die niemand had verwacht. ‘Algemeen directeur Jef De Nul. Dat wordt niks.’ Zo had hij zichzelf bij de eerste algemene vergadering voorgesteld.

Zijn humor leek op die van een puber: oppervlakkig en soms bijna platvloers. Voor sommige stafleden voelde het aan als een test. Wie het hardst om zijn grapjes lachte kwam er uit als een hielenlikker. Gniffelen, dat deden de twijfelaars. Niet lachen, verraadde de kritische geesten en met de ogen rollen, dat durfden alleen de sterkste tegenstanders.

Maar het was geen test, want Jef De Nul bleef onnozele grappen maken. Hij amuseerde het onderhoudspersoneel weleens door een directeur te imiteren, wat nog nooit iemand had gedaan. Hij vertelde dwaze anekdotes, die dan uiteindelijk gouden raad bleken te zijn. Hij gaf uiteenzettingen die getuigden van inzicht in complexe beleidsvormen die hij dan afsloot met een bulderlach.

Met deze man kreeg het ziekenhuis een idiot savant aan het roer, een vriendelijke dwaas die schitterende kwartaalresultaten behaalde. Professor Casimir W. Dufrenne had een hekel aan die hofnar die met een schaterlach iedereen in de billen kneep. Hij verdroeg het niet, die grapjasserij, die vrolijke minachting voor hiërarchie.

 

‘Cassy, wil jij het ding eruit halen? Van alle speksnijders hier lijk jij me de minst gevaarlijke.’ Zo vraagt De Nul me zijn galblaas te verwijderen. De voltallige ploeg abdominale chirurgen lacht er hartelijk om.

Zo beeldde CWD zich scènes van onmacht in, van vernederingen zonder kans op verweer. Zo was het altijd, hij kon ze niet tegenhouden, die theaterstukken in zijn hoofd.

‘Het is me een eer, mijnheer De Nul.’ Ik kan niet anders dan zo te antwoorden, ik ben het aan mijn stand verplicht. Nooit zou ik mijn troon verlaten.

Na de diagnose geef ik mijn bevinding: ‘Een cholecystectomie wordt in de regel laparoscopisch uitgevoerd. Gezien de aanwezigheid van dichte pericholecystische adhesies, met een verhoogd risico op iatrogene letsels en onvoldoende veilige dissectie, is in uw geval een laparotomie aangewezen.’

‘Begrijp ik,’ antwoordt Jef De Nul opgewekt. Stel je voor. ‘Openleggen dan maar.’ Een blufantwoord, natuurlijk. De Nul heeft alleen tomie begrepen, dat kan niet anders.

Een week later ligt de algemeen directeur op mijn tafel. Zijn bewustzijn is chemisch teruggebracht tot nul. Hij zou evengoed opgebaard kunnen zijn. Ik verwijder het orgaan routineus, zoals ik dat al een eeuwigheid doe. De sterrenchef bakt een eitje, het is niet meer dan dat.

Voordat ik de buikwand sluit, stop ik mijn kleine capsule tussen twee lagen weefsel, ver genoeg van de plaats waar de galblaas zat. Ik reken erop dat de vertraagde vrijgave van mijn cadeautje over enkele weken zal beginnen. Helemaal zeker is dat niet omdat het oplossen van de capsulewand een beetje onvoorspelbaar is. Maar dat is geen probleem, ik hoor het wel als directeur De Nul ziekteverlof neemt.

Hij weet op voorhand dat hij voor een moeilijke periode staat. Ik heb het hem meteen na de operatie verteld. Hij mag niet denken dat het om een complicatie van mijn ingreep gaat. ‘Directeur, ik heb tijdens de operatie een vlekje opgemerkt dat me ongerust maakt. Als ik me vergis, is er geen probleem. Maar als mijn vermoeden bevestigd wordt, zal je stilaan klachten krijgen die geleidelijk zullen toenemen. Hou me op de hoogte, dan plannen we meteen een tweede ingreep. Een laparoscopie zal dan gelukkig volstaan.’

Heerlijk, hoe de Veldheer het strijdperk beheerst. Hij overschouwt, bepaalt en grijpt in. Hij construeert de toekomst naar zijn wensen. Hij zal directeur De Nul redden van zijn kwaal, hij zal de pijn wegnemen die hij zelf al had voorspeld. CWD is de ziener van het abdomen, hij ként de schepping.

Het plaatsen van de capsule met het venijnige stofje duurt niet meer dan een minuut maar is delicaat. Ik beeld me altijd in dat de assistent, de anesthesist en de instrumentist samen naar staren het afwijken van de procedure. Worden er bedenkingen gemaakt? Ach nee, de routine heeft hun interesse al lang weggenomen. Galblaas verwijderen, saaie boel. Straks koffie, vanavond naar de film.

De Veldheer zag het voor zijn geestesoog, kalm en opgewonden tegelijk, als dat al kan.

 

Casimir W. Dufrenne had zich weer verdiept in de farmacologie. Het nam een groot deel van zijn vrije tijd in beslag maar dat vond hij helemaal niet erg. Het was als bij een reis: het plezier begon met de voorbereiding. Hij legde zich passioneel toe op het vinden van het actieve stofje waarmee hij de capsule zou vullen. Het moest irriteren zonder het weefsel aan te tasten en uiteindelijk door het lichaam worden opgenomen, zonder residu. De pijnprikkel moest aanhouden en langzaam toenemen zonder blijvende schade.

CWD vond het geweldig. Hij voelde zich een tuchtmeester ten dienste van de beschaving. Respect hoorde het eerste honorarium te zijn en minachting moest leiden tot pijn. Casimir W. Dufrenne, de Veldheer, was bovendien geridderd voor uitzonderlijke dienstbaarheid in de geneeskunde. Hoe hoog kon een troon zijn! Zo iemand mocht de gesel hanteren.

 

Dit keer duurde het slechts twee dagen voor CWD zijn stofje had gevonden. Hij had drie eerder gewone medicamenten samengevoegd tot een preparaat dat venijnig was maar wel veilig. Het bleef natuurlijk wel wat tasten in het duister, hij was geen farmachemicus. Maar impact zou er in elk geval zijn, misschien wat vroeger dan verwacht of wat zwakker dan gehoopt. In het ergste geval zou De Nul kronkelen van de pijn, maar het zou nooit leiden tot een gruwelijk einde.

CWD vulde de capsule met het preparaat en legde ze in het kleine, fraaie doosje waarin ooit zijn zegelring had gezeten. Die ring, die zijn initialen weergaf in goud, droeg hij altijd en overal. Als Casimir W. Dufrenne een handgeschreven brief verstuurde, drukte hij de ring in de zegellak waarmee hij de envelop sloot. Een man als hij hield van archaïsch vertoon.

Net als de ring symboliseerde de capsule zijn macht en aanzien. Wanneer CWD het dekseltje dichtklapte werd zijn geheime wapen omhuld door duisternis. Macht in een donker doosje, hij hield van dat beeld.

Natuurlijk zou hij deze capsule nooit kunnen gebruiken, ze was niet meer dan een model. Ze was helemaal niet steriel en zou op een weinig elegante manier pijn veroorzaken. Ook een afstraffing vereiste klasse, een tuchtmeester was geen beul. CWD nam het doosje met de capsule mee naar zijn kantoor in het ziekenhuis. Graag had hij het gebruikt als presse papier maar daarvoor was het veel te licht. Bovendien werd er niet veel meer met papier gewerkt in deze tijd.

 

In het kantoor van de Veldheer stond een antieke, medische vitrinekast. Hij had ze gekocht van de oude huisarts die hem zijn hele kindertijd lang in leven had weten te houden. Voor de ziekelijke Cassy was ze het schrijn van zijn redding geweest. Het witte email dat de glazen wanden omlijstte was nu vergeeld maar vertoonde niet één krasje.

Op de onderste glazen legger had hij drie antieke, bruine apothekersflessen gezet. De etiketten vermeldden in een ouderwets handschrift de oorspronkelijke inhoud: Tinctura Opii, Solutio Iodi en Spiritus Camphorae. Nu zat in elke fles een peperdure Japanse whisky. Casimir W. Dufrenne hield van clandestiene dingetjes.

Op de bovenste legger stonden kleine antieke doosjes. Eén in mahoniehout en twee in zilver. Het vierde was in illegaal ivoor en precies daarom zo kostbaar. Op de bodem van elk doosje had CWD een naam gekalligrafeerd. Bij elke naam hoorde een oplosbare capsule met een irriterend stofje dat hij zelf had gemaakt.  Elk stofje was anders en werd samengesteld à la tête du client.

Casimir W. Dufrenne kon er nu het doosje van de zegelring als vijfde bij zetten. Hij herschikte de doosjes zodat het middelste pal boven de middelste apothekersfles stond. CDW was gek op symmetrie, het was zijn voorstelling van evenwicht en beheersing.

 

De Veldheer prees zichzelf om zijn stijl. Weinigen die zo getergd werden hadden de kalmte en het geduld om hun wraak alleen maar in gedachten te ontplooien. Zijn impulscontrole had iets elegants, iets hoffelijks bijna. Een geridderde veldheer zocht geen haastige agressie. Wraak is een gerecht dat koud wordt opgediend. CWD vond dat belachelijk klinken, maar hij wist wel dat het waar was. Wraak moet marineren en dat gebeurt altijd heel erg traag.

 

 



 
 
bottom of page